Geschiedenis

De cavia is een populair huisdier en behoort tot de knaagdieren. Haar voorouder is de wilde cavia, Cavia tschudii. Al zo’n 9.000 jaar geleden werd deze soort in het gebied van de Andes gehouden door de Inca's. Zij gebruikten het dier zowel als voedselbron als bij religieuze rituelen.

In de loop van de tijd werd de wilde cavia steeds verder gedomesticeerd en gefokt, waardoor uiteindelijk de tamme cavia ontstond die we vandaag de dag kennen als huisdier.

De wilde cavia (Braziliaanse cavia)

In Zuid-Amerika leeft de wilde cavia in open vlaktes. Daar vormen de dieren groepen met een duidelijke en strikte rangorde.

Een groot deel van hun tijd besteden ze aan het zoeken naar voedsel. Vooral in de vroege ochtend en tijdens de avondschemering zijn ze actief. Tussendoor rusten ze op beschutte plekken, bijvoorbeeld tussen hoog gras en in dicht struikgewas.

Rassen 

In de 16e eeuw namen Europese ontdekkingsreizigers cavia’s mee naar Europa. Daar werden ze al snel populair als gezelschapsdier bij rijke mensen. Vanaf dat moment werden cavia’s niet meer gefokt voor voedsel, maar vooral op hun uiterlijk. Zo ontstond eerst de gladharige cavia. Later kwamen er rassen met andere soorten vacht, zoals de rex met krullend haar en de Sheltie met lang haar.

Door verdere selectie verschenen ook cavia’s met rozetten, zoals de Abyssinian,   zeer lange haren, zoals de Peruaan. In de 20e eeuw werden de rassen officieel erkend door fokverenigingen. Tegenwoordig zijn er tientallen rassen, die vooral verschillen in vachtsoort, vachtstructuur en kleurpatroon.